Uitreiking

 —-Lezing 2010————–lezing 2010—————-lezing 2010

 

Een fonds voor beginnende freelance-journalisten is hard nodig

 

 

Door Wim de Jong

 

 

Geachte, beste, lieve collega’s,

 

Fijn om hier vanavond in jullie midden te kunnen zijn. Het overkomt mij als freelancer niet héél vaak om zoveel vakgenoten inééns te treffen. Geweldig! Je zou eruit kunnen afleiden wat voor hechte en trotse beroepsgroep we als journalisten nog met elkaar vormen! Een hecht netwerk.

 

Maar misschien ook is het méér dan ooit waar dat we hier met z’n allen staan omdat de hapjes vanavond gratis zijn. Ik vermoed namelijk dat menig freelance journalist tegenwoordig blij is met een extra bordje warm eten. En dan ook nog met wat gratis te drinken erbij.

 

Want, nou ja, het houdt natuurlijk al héél lang niet meer over met het aanzien – en in het verlengde daarvan: met de verdiensten in ons vak. Er hebben een paar crises en wat technologische en maatschappelijke schokgolven tegelijk plaatsgevonden, en we zijn in de journalistiek de klappen daarvan nog aan het verwerken.

 

Instituties als NRC Handelsblad, regionale kranten en omroepen, alsook Hilversum schudden op hun grondvesten. Maar ook – of  vóóral – onderin de piramide van de journalistieke arbeidsmarkt, vindt een soort van permanente shake-out plaats.

 

Goed: we zijn nooit anders gewend geweest om te schooien voor nieuwtjes en voor quotes. Maar anno 2010 is het voor veel zzp’ers volgens mij ook heel normaal dat je daarnaast óók nog bedelt om wat handgeld voor je journalistieke werk zèlf. Want stiekem zijn zeker de freelancers onder ons misschien meer en meer gemarginaliseerde, scharrige figuren geworden.

 

Zeker: die eerder genoemde crises en de opmars van nieuwe communicatievormen hebben de weerbaarheid van de vrije, onafhankelijke journalistiek er niet groter op gemaakt. Maar hebben we tegelijkertijd het mes ook niet diep in eigen vlees gestoken en het vak van binnenuit uitgehold door ons eigen journalistieke lompenproletariaat te creëren?!

 

Onafhankelijke en gedegen journalistieke arbeid is anno 2010 een soort sweatshop-arbeid geworden. Oók door de beroepsgroep zèlf ondergewaardeerd werk, verricht door de nieuwe hordes goedkope arbeidskrachten in ons vak.

 

De bedragen die nu voor freelance journalistiek worden betaald, zijn intussen dermate bedroevend dat we ons met ons allen misschien moeten gaan afvragen of we zélf nog wel vinden dat we een echt vak beoefenen, of dat we intussen allemaal broodschrijvers zijn geworden.

 

Anders gezegd: moeten we als het gaat om serieuze journalistiek inmiddels niet eerder spreken van een hobby? En kunnen we, in plaats van over serieuze honoraria, intussen niet beter gaan spreken van een fooitje?! Dat is misschien wel zo eerlijk in de richting van al die duizenden studenten en aanstaande schoolverlaters die nog grote verwachtingen ván – en ambities hebben óp – dat vakgebied van ons!

 

Welke beginnende freelance tekstleverancier kan het zich werkelijk nog veroorloven om als een journalist door het leven te gaan?

Hoe zou hij of zij zich dat moeten kunnen veroorloven?

 

Wat praktijkvoorbeeldjes van de armoeïigheid die het bedrijven van freelance journalistiek naar mijn mening steeds meer is gaan aankleven. Enkele typerende ervaringen van oudere en jongere professionals die ik ten behoeve van dit toespraakje heb verzameld:

 

Voorbeeld 1. Aangeboden door een ervaren freelance journaliste en een fotografe aan een magazine van een groot landelijk dagblad: acht interviews met jonge ontwerpers plús acht zorgvuldig gemaakte fotoportretten van de mensen in kwestie. De benaderde redactie hapt toe, maar wenst voor de gecombineerde productie niet meer betalen dan 315 euro. 315 euro!! Voor acht pagina’s mét foto’s in een van de bestgelezen tijdschriften van ons land.

 

Voorbeeld 2. Zeer ervaren freelance journaliste van naam en faam biedt aan vrouwentijdschrift een verhaal aan over het omstreden verschijnsel eiceldonatie. In Nederland staat de zwangerschapsmethode op het punt door te breken, in Denemarken hebben ze er al wat langer ervaringen mee. Vrouwentijdschrift wil het verhaal wel hebben en bestelt een rompverhaal plus vier interviews met respectievelijk twee Nederlandse en twee Deense stellen die met eiceldonatie hebben geëxperimenteerd. Het vrouwenmagazine heeft voor de complete tekstproductie het ronde bedrag over van – houd u vast – 200 euro. 200 euro!!

 

Voorbeeld 3. Zaterdagbijlage van een van de grootste kranten van Nederland verzoekt ervaren freelancejournalist om een participerende, kritische reportage vanuit een discutabel kuuroord in Zeeland. De journalist moet de volledige en ingrijpende, zevendaagse kuur uitzitten, hetgeen onder meer inhoudt dat er zeker geen ander freelancewerk naast kan worden gedaan. Tevens gaat de nog redelijk welvarende bijlageredactie ervanuit dat de freelancer zélf opdraait voor de duizend euro die de kuurweek kost, óf dat hij de eigenaren ervan bereid vindt om die kritische reportage over hun kuuroord zélf te sponsoren. Armoeiig, wat u zegt!

 

Voorbeeld 4. Een verhaal tot 700 woorden levert in een landelijk dagblad van confessionele signatuur 28 cent per woord op tot een maximum van 700 woorden, en 15 ct per woord bij alles wat zo’n verhaal méér aan tekst vergt. Een artikel van 2000 woorden – toch normaal voor een verhaal in een zaterdagkrant – levert derhalve 391 euro op! 391 euro! En opnieuw: bruto! Ik denk dat de meesten hier onder u die zich met de schrijvende journalistiek bezighouden heel goed weten dat je er een verhaal van die lengte niet twee per week schrijft, en zeker niet élke week. Maar stel dat je het wél zou lukken dan kun je als freelancer bij dagblad T. dus een maandhonorarium van een kleine 1600 euro bruto bij elkaar harken. Een paar centen meer dan het bruto minimumloon, en vér onder de uurprijs van een werkster of van een andere ambachtsman.

 

Afijn, als u de laatste cijfers van De Nieuwe Reporter er nog even bijpakt, dan ziet u dat het op vrijwel alle podia in de geschreven journalistiek erg lastig is geworden om je brood te kunnen verdienen in ons vak.

De Groene hanteert een woordprijs van een dubbeltje.

Bij HP/De Tijd kun je aan de bak voor 23 cent per woord. Een rijk en zelfbewust tijdschrift als Libelle – tegenwoordig, net als de Linda, een serieus journalistiek podium – betaalt 28 cent per woord voor een doorwrocht achtergrondartikel van 2000 woorden over de pubertijd. Goed voor een paar dagen inlezen en tikken, maar niet goed dus voor een navenante beloning voor kwaliteit.

 

Op z’n best wordt het journalistieke beroep met zulke bedragen een soort van liefhebberij. Op zijn slechtst slaag je er als zelfstandig journalist op een kwaaie dag niet meer in jezelf en je beroep nog serieus te nemen.

 

Ik ken dan ook steeds meer mensen die er zich van afkeren. Kijk eens op linked-in of op andere plekken op internet, of lees straks eens de visitekaartjes die freelance collega’s je straks op deze netwerkbijeenkomst in handen stoppen:

Ik durf te wedden dat er nog maar heel weinig zijn die zich als journalist willen of durven uit te geven. We zijn vrijwel allemaal ‘media-adviseurs’, leveranciers van commerciële teksten en anderszins pennenlikkende manusjes-van-alles geworden – het beoefenen van het vak waarin we zijn opgeleid doen we er hooguit nog een beetje voor de naamsbekendheid en voor de eer bij.

 

Twee verschrikkelijke woorden trouwens, in dit verband ‘naamsbekendheid’ en ‘eer’. De collega’s die hier vanavond in het spotlicht staan en door ons worden geëerd omdat ze tot de verbeelding sprekend vakwerk hebben geleverd: zij smaken terecht het genoegen van de eer en een beetje extra naamsbekendheid. Maar verder zouden het taboe-woorden moeten zijn in de journalistiek in het algemeen, en in de freelance journalistiek in het bijzonder. Ik ben hier vanavond ook gevraagd om voor de eer en voor mijn naamsbekendheid te spreken, maar ik wenste mijzelf, mijn beroepsgroep en mijn beroep serieus te nemen door een redelijk honorarium te vragen.

 

Niet in dit specifieke geval, maar wel bij andere gelegenheden wordt daar al overigens al héél raar tegenaan gekeken hoor: tegen schrijvende of fotograferende of sprekende of filmende of radiomakende journalisten die – behalve voor een fooi – ook niet regelmatig dingen grátis of voor beloningen in natura willen doen. Mij werd laatst een ‘mand met lekkers’ van plaatselijke winkeliers op Zuid in het vooruitzicht gesteld, als ik als tegenprestatie een verhandeling wilde houden over een kunstproject met multiculturele insteek in de Afrikaanderwijk. Wat denken zwaar gesubsidieerde welzijnsinstellingen waarvan je als zelfstandig journalist mét of zonder naamsbekendheid eigenlijk van lééft?!

 

U begrijpt het al, ik ga als oudere journalist de weg op van velen voor mij: ik begin chagrijniger te worden, meer overtuigd te geraken van mijn eigen gelijk, en dus ook meer op mijn ponteneur te staan, en misschien ook wel een beetje te verzuren. Maar het is geen naar binnen gerichte of teleurstelling die me opvreet. Ik maak me verdorie kwaad om de uitholling en Verelendung van het vak dat ik inmiddels dertig jaar met het grootste plezier en veel inzet heb beoefend, en ik roep mijn beroepsgroep op om daar een einde aan te maken.

 

Niet door nóg maar weer een fonds voor de Nederlandse onderzoeksjournalistiek op te richten, zoals uitgever Yves Geijrath – die zelftrouw  alle ambities van talentvolle en goede journalisten fnuikt door ze consequent onder te betalen - laatst bepleitte. Maar bijvoorbeeld wél door de oprichting van een fonds voor beginnende freelancers die écht journalist willen worden, en als zodanig willen werken. Een fonds dat getalenteerde en volharde jonge collega’s in staat stelt om langer op dat schitterende podium van de journalistiek te kunnen acteren dan de deurwaarder voor wenselijk houdt. Een fonds, of zo u wilt, een lanceerplatform waarmee we ons vak van ónderaf in plaats van bóvenaf steun verlenen. Zo’n fonds ondersteunt met name beginnende freelancers financieel en verkoopt hun artikelen via een verhalenbank aan journalistieke partijen die hun medium met kwaliteitsjournalistiek willen verrijken, maar er niet altijd het geld voor hebben.

 

Vorige week las ik in Villamedia Magazine hoe de Vlamingen met geld en stevig beleid het voortbestaan van hun vrije, autonome journalistiek waarborgen – namelijk door onze beroepsgroep als een gilde te oormerken en dat gilde financieel en langs andere weg te steunen. Zulks dus met uitsluiting van broodschrijvers, tekstleveranciers, media- adviseurs en ander freelancevolk dat commercieel werkt. De journalistiek   als een beschermd beroep!

 

Iets voor ons?!

 

(Wim de Jong is freelance journalist/columnist en schrijft ondermeer voor de Volkskrant. Bovenstaande red sprak hij uit bij de uitreiking van de vijfde Persprijs Rotterdam op 27 oktober 2010 in de Kunsthal in Rotterdam)

 

 

 

 

 

 

 

 

null

 

 

—-lezing 2009————lezing 2009————lezing 2009

 

Politiek en journalistiek - een mooiere haat-liefdeverhouding bestaat er niet’.

 

door Rik Grashoff

 

 

Hartelijk dank voor de uitnodiging om hier vandaag te spreken over een onderwerp dat mij als politicus en als nieuwsconsument na aan het hart ligt. Allereerst mijn felicitaties voor het team van AD Rotterdams Dagblad dat dit jaar de persprijs heeft gewonnen!

 

 “Rotterdamse politiek pisnijdig over populistisch prutsblaadje”. Dat hád de titel kunnen zijn van mijn praatje. Of van een column in het Algemeen Dagblad tegenwoordig. Maar ik houd niet zo van populistische verhalen dus heb ik een andere titel gekozen: Politiek en journalistiek; een mooiere haat-liefdeverhouding bestaat er niet. Een serieuze titel want het gaat om een belangrijk onderwerp: het functioneren van de democratie staat of valt met een goed functionerende pers.

 

De vraag dringt zich op: functioneert die pers dan goed? Mijn antwoord: ik vind dat we met onze regionale media de verkeerde kant op gaan en dat de kwaliteit behoorlijk onder druk staat. Het hoge woord is eruit. Ik heb het daarbij vooral over AD Rotterdams Dagblad en soms ook over RTV Rijnmond. Alles is trouwens relatief want vergeleken met de situatie in mijn woonplaats Delft  gaat het in Rotterdam prima.

 

Wat neem ik waar:

 

Ik zie verslaggevers die tegen de klippen moeten opwerken om productie te leveren want de krant of de uitzending moet vol en dat met steeds minder mensen. Minder mensen die minder zijn ingevoerd in de onderwerpen waarover ze schrijven. De berichtgeving wordt eenzijdiger en oppervlakkiger. Een opportunistische politicus zal daarin ook het voordeel zien dat je soms gemakkelijk weg komt met een minder sterk verhaal. Maar goed is het niet.

 

Ik zie dat journalisten zich sterk laten leiden door de bestuurlijke agenda van het stadsbestuur en de diarree van stukken die we daartoe afscheiden. Er wordt te weinig nieuws ontdekt. Wanneer dat wel gebeurt, is dat voor bestuurders buitengewoon irritant maar lokale media hóren irritant te zijn. Maak het ons lastig!

 

Ik zie dat de pers enorm gefixeerd is op mogelijke conflicten. Rotterdam kent een bijzondere politieke cultuur maar soms denk ik dat de media zich wel erg gemakkelijk laten gebruiken door een willekeurige politicus die een misstand aan de kaak wil stellen. Ik zou meer gezond verstand en een groter kritisch vermogen willen zien.

 

Als ik zou willen chargeren zou ik zeggen: het AD van nu is vooral als een optelsom van de verzamelde meningen van de lezers en de wensen van adverteerders. Ik bedoel daarmee dat een regionale krant niet alleen naast de lezer moet staan maar soms ook een stukje erboven. Lezer soms bij de hand durven nemen door het nieuws ook te duiden, er betekenis aan te geven. Dat hoort bij een luis in de pels van de democratie.

 

 

 

 

 

 

Ik vind dat de media zich meer bewust moeten zijn  van de macht van de pen(of de ether) Ik doel daarmee op de suggestieve koppen en tendentieuze kwalificaties die ik vaak tegenkom.  Afgelopen zaterdag kopte Carrie in haar column: “Kakgozer Karakus veegt kont met ons af” Natuurlijk moet een columnist alle vrijheid hebben maar moet het nou zo op de persoon en zo grof? Zo’n kop bekt lekker en spreekt lezers aan?

 

Kortom: ik maak me zorgen over onze regionale pers die - ik zeg het nog maar een keer - belangrijk is voor het functioneren van onze lokale democratie.

 

Waar moeten we de oplossing zoeken?

Er is allereerst een mentaliteitsverandering nodig. Ik wil meer passie, meer scherpte: zoek zelf nieuws en wees die luis in de pels! Ook regionale media kunnen kwaliteitsjournalistiek bedrijven. Kijk maar naar de inzendingen voor de Rotterdamse persprijs.

 

En natuurlijk is het ook een kwestie van geld. Ik vind dat we onze regionale pers meer armslag moeten geven.

 

 Afgelopen zondag keken 3.836.000 mensen naar Boer zoekt Vrouw bij de KRO op Nederland 1. Op Nederland 2 keken tegelijkertijd 1.924.000 mensen naar Paul de Leeuw bij de Vara. Publieke omroep, publiek geld. Prima programma’s maar hun bijdrage aan de democratie is buitengewoon gering. Waarom geven we wel veel publiek geld uit aan dit soort programma’s terwijl de regionale kranten langzaam aan verzuipen?

Minister Plasterk heeft onlangs een goed begin gemaakt met zijn reactie op het rapport van de commissie Brinkman door geld beschikbaar te stellen voor jonge journalisten en voor innovatie in de dagbladsector. Maar het is nog niet genoeg. Ik zou toe willen naar een integraal mediabeleid waarbij publiek geld naar media gaat op basis van journalistieke functies en kwaliteit ongeacht of het gaat om radio, televisie, gedrukte media of digitale media.

Natuurlijk moeten we geen commerciële bedrijven gaan subsidiëren. Ik denk ook meer aan het subsidiëren van redacties op basis van objectieve kwaliteitscriteria. De overheid is geen Berlusconi en zal dat ook nooit worden. Maar dat er iets moet gebeuren om onze regionale pers te redden, staat voor mij vast.

 

(Rik Grashoff heeft als wethouder Cultuur en Participatie van Rotterdam ook ‘mediabeleid’ in zijn portefeuille. Deze rede werd uitgesproken bij de uitreiking van de vierde RD Persprijs op 28 oktober 2009 in de Kunsthal in Rotterdam)

 

 

 

 

====================================================================

—–
—-lezing 2008———-lezing 2008———

Heeft een professionele journalistieke opleiding nog wel zin?

 

door Hans Maas

  

Geachte genomineerden, geachte leden van de jury, beste collega’s, als ik dat nog mag zeggen.

 

Ik heb even om me heen gekeken en ik weet dat hier krasse knarren zijn die het ver geschopt hebben in de journalistiek zonder ook maar enige vervolgopleiding na hun middelbare school.

 

O nee hè, hoor ik meteen een enkeling verzuchten, hij gaat het toch niet over vroeger hebben hè. Vroeger… In Den Haag zeggen ze vroêgah? Vroegâh hadden we geen drempels, vroegâh hadden we kuile.

 

Omdat ik hier sta als docent en coördinator van een opleiding journalistiek, maar toch vooral ook als gewezen journalist (Vrije Volk, RD, AD/RD), ontkom ik er niet aan een beetje naar vroeger te kijken, maar ik beloof u dat ik zal proberen mij te houden aan het vooruitkijkende onderwerp dat in de uitnodiging staat: Heeft een professionele opleiding journalistiek nog wel zin?

 

Ik klap niet of nauwelijks uit de school als ik u vertel dat ik deze vraag niet zelf heb bedacht. Er zou eens een student of ex-student van me in de zaal kunnen zitten. Die zou me dan straks aan mijn vestje trekken en zeggen: Suggestieve vragen stellen? Ik dacht dat dat niet mocht.

 

De eerste suggestie die van de vraag uitgaat, is dat kranten het zo vreselijk moeilijk hebben, dat het geen zin meer heeft om er nog journalisten voor op te leiden. Je leidt ze hooguit op voor een free lance-bestaan, waarschijnlijker voor de werkloosheid of nog erger, voor de voorlichting. Sorry, flauwe grap.

 

De tweede suggestie die in de vraag zit opgesloten is deze: Er zijn tegenwoordig meer journalisten in opleiding dan journalisten met een baan. Laat ik beginnen met dit laatste en daarvoor moet ik toch even terug naar vroegâh.

 

Eerst was er niets, je werd leerlingjournalist bij een krant en leerde het vak in de praktijk.

 

Toen kwam de School voor Journalistiek in Utrecht. Hoewel de verzuiling in Nederland al stevig op zijn retour was, volgden spoedig meer HBO-opleidingen journalistiek. Met het CDA als de meest constante machtsfactor in de politiek zullen we de komende honderd jaar in het onderwijs gewoon blijven negeren dat er ooit ontzuiling is geweest. Alle gezindten kregen hun eigen opleiding journalistiek: Tilburg, Zwolle, Ede, Kampen. Particuliere cursussen en niet-geaccrediteerde of wilde opleidingen aan hogescholen, sla ik voor het gemak even over.

 

Niets ten nadele van de kwaliteit van de HBO-opleidingen, hoewel vooral Utrecht een rare, roerige periode heeft gehad. Toen ik nog een Vrije Volk-pet op had, werden er stagiairs op ons afgestuurd, die binnenkwamen met de mededeling dat ze alleen voor de opiniepagina wilden schrijven. Op hun school heerste arbeiderszelfbestuur, docenten stonden stoned als een garnaal te oreren over de zegeningen van de bevrijdingstheologie. We schrijven roaring sixties en begin jaren zeventig, maar die zijn achter de rug. De erkenning dreigde soms te worden ingetrokken, maar inmiddels is orde op zaken gesteld.

 

Los van mijn chargeren, zijn er twee redenen waarom kranten en andere media niet tevreden waren en zijn over het niveau van de journalistieke HBO-opleidingen. (waardoor  ruimte ontstond voor universitaire opleidingen, maar daar kom nog ik op).

 

De eerste makke van het hoger onderwijs in Nederland is dat er diplomafinanciering is, de instellingen krijgen pas geld als iemand afstudeert. Vroegâh, heb je me weer, kon je daar een jaartje of acht over doen, voordat ze tegen je zeiden: jij hebt hier nu genoeg vloerbedekking versleten, ga maar, hier is je papiertje, maar we zouden het niet erg vinden als het buiten wegwaait. Nu zijn er prestatiebeurzen, maar nog steeds is de neiging niet groot om iemand bij gebleken ongeschiktheid of gebrek aan motivatie na een half jaartje weg te sturen. Het tegendeel is eerder het geval; hoe meer inschrijvingen, hoe beter. Hoe meer studenten we naar de eindstreep trekken, desnoods met duwen, trekken, hangen en wurgen, hoe meer diplomafinanciering. Het gevolg is dat een redactiechef soms meer last dan nut van een stagiair heeft.

 

Aan de tweede makke kunnen de hogescholen niets doen. Leo Beenhakker was volgens mij de eerste die het had over de patatgeneratie. Verplaatst naar de scholen ging dat zesjescultuur heten. De commissie Dijsselbloem trok schrikbarende conclusies over de teloorgang van ons onderwijs. Ik wordt met dt wordt in de twee uur Nederlands die je in Havo-5 nog krijgt, geloof ik, niet meer fout gerekend. Het is eigenlijk van de zotte dat hogescholen, maar ook universiteiten steeds meer bijspijkercursussen Nederlands aan eerstejaars moeten geven.

 

 

Ondertussen leef ik hier wel van, mag ik gnuivend zeggen. Onvrede over het opleidingsniveau van jonge journalisten deed de grote kranten twintig jaar geleden de handen ineen slaan. NRC Handelsblad, Volkskrant en Telegraaf richtten toen samen met de Erasmus Universiteit de PDOJ op, de Postdoctorale Opleiding Journalistiek. Daar kwamen snel AD (Algemeen Dagblad), Rotterdams Dagblad, Parool, Haagsche Courant, Utrechts Nieuwsblad , Leeuwarder Courant, Gelderlander bij, zeg maar alle grote serieuze kranten in Nederland. Geen diplomafinanciering, selectie aan de poort, beperkt aantal deelnemers, sterk gemotiveerde studenten (want ze moesten zelf betalen voor de zogeheten postdoc), bijna 100% baangarantie, kortom: succes verzekerd, er werken meer dan 300 ex-PDOJ’ers bij de kranten.

 

Genoeg geronkt, terug naar mijn onderwerp.

 

Andere universiteiten volgden. Amsterdam en Groningen kregen reguliere masters, dat wil zeggen, opleidingen voor afgestudeerde bachelors die nog net anderhalf jaar studiefinanciering kunnen krijgen. Ook die masters zijn klein maar fijn van opzet, niet meer dan twintig studenten per lichting.

 

Inmiddels geven ook de universiteiten van Leiden en Nijmegen cursussen, is er nog Forum in Utrecht, en viert op ditzelfde moment de Media Academie in Hilversum een feestje waar ik eigenlijk bij had moeten zijn, omdat hun postinitiële master, die opleidt voor de publieke en commerciële omroepen, exclusief samenwerkt met ’mijn’ Erasmus Universiteit. Ze hebben hun accreditatie binnen en zijn daarmee de jongste loot aan de overladen boom van journalistieke opleidingen.

 

Misschien mag ik een klein zijsprongetje maken naar die Media Academie. Hun master werd opgericht omdat de omroepen hetzelfde probleem als de kranten hebben. Het wil maar niet echt lukken om mee te kleuren met de samenleving. Ze discrimineren dus positief in hun aanname beleid.

 

Wetende dat bijvoorbeeld De Volkskrant een jaar moest zoeken om eenmalig een A-team met vier allochtone journalisten in opleiding te vullen, mag u drie keer raden hoeveel reacties de nieuwe master van de Media Academie kreeg op één enkel wervingsadvertentietje waarin afgestudeerde allochtonen werden opgeroepen…?..182!! Voor 11 plaatsen!! TV is kennelijk sexy.

 

Overladen boom? Mogen we toch wel zeggen, ja. Het kan zo zijn dat er elke maand wel een nieuw meidenblad wordt gelanceerd, het kan zo zijn dat ze in een stad als Rotterdam doldriest De Echo als derde (!) huis-aan-huis advertentiekrant toevoegen aan Havenloods/Het Zuiden en Maasstad Weekbladen, het kan zo zijn dat telefoonboeren met enkeldiepe broekzakken vol geld gratis kranten oprichten, het kan zo zijn dat internet onverzadigbaar om content brult, we zijn het erover eens dat de gevestigde orde aan kwaliteitsmedia niet met de handen in het haar zit, omdat niet aan personeel is te komen (sorry voor de dubbele ontkenning, die ik altijd verbied aan mijn studenten).

 

Oplages staan onder druk, advertentie-inkomsten lopen terug, jongeren hebben nu.nl als startpagina en denken dat GeenStijl een serieus persagentschap is… het zijn moeilijke tijden.

 

Maar mag ik dan in herinnering roepen wat Telegraaf-coryfee Kees Lunshof, zaliger, achttien jaar als steun en toeverlaat van de PDOJ zei: “Als we niet meer opleiden, als we geen instroom van goede, jonge journalisten meer krijgen, dan kunnen we de tent net zo goed meteen sluiten.”

 

NRC.Next werd door matadoren van het Handelsblad smalend NRC.Nijntje genoemd. Gelukkig kende de hoofdredactie zijn pappenheimers. Ouder wordende journalisten moet je in ere houden als ze gezaghebbend zijn, gezag en geloofwaardigheid zijn voor een krant van wezensbelang. Maar naar de oudere  journalist die cynisch is geworden, die verzuurt is in het vak en meestal als slagzin heeft ’Hebben we al gehad’, daar moet je niet naar luisteren. Dat deed de hoofdredactie dan ook niet. Met dertig meerendeels, nieuwe, niet cynische, jonge journalisten werd tegen de stroom in een prachtproduct in de markt gezet, dat veel eerder het break-even point bereikte dan zelfs de grootste optimisten hadden gedacht.

 

Het Financieel Dagblad is al lang niet meer een dodelijk saaie cijferkrant. Bijlagen over lifestyle en pagina’s over carrière worden gemaakt door nieuwe, jonge journalisten.

 

Volkskrant Banen begon een beetje langzaam en stond in het begin nog te veel op ouderwets papier. Nu beweegt het medium zich razendsnel digitaal opwaarts. De makers? Nieuwe, jonge journalisten.

 

BNR Nieuwsradio bestaat nog maar tien jaar. Als ik naar mezelf kijk, zie ik me als nieuwsverslaafde in de auto steeds vaker van Radio 1 naar BNR zappen. Harmke Pijpers mag dan van de oude garde zijn, Lara Rense, Clemens van Herwaarden en Niels Heithuis zijn dat niet.

 

Z24 is een flitsende, snelgroeiende, nieuwe zakensite, die gezien heeft dat niet alle kranten het economisch nieuws nog kunnen bijhouden. Surf naar de sites van het Dagblad van het Noorden, de Leeuwarder Courant, De Stentor, Het Parool, De Pers en zelfs het AD, en zie de oplichtende link naar Z24. De makers? Ik hoef het niet meer te zeggen. Hoewel? In dit geval kan ik me toch niet inhouden. Acht nieuwe, jonge journalisten, het merendeel afkomstig van de PDOJ.

 

Is er dan niets aan de hand? Als dat zo zou zijn, was er pas echt sprake van een crisis in de journalistiek. Welaan, de wereld staat in brand. En dan heb ik het er nog niet eens over dat het snel te warm wordt, dat Amersfoort straks aan zee ligt, dat we in Rotterdam de voeten niet meer droog houden. De financiële wereld schudt op zijn grondvesten. De gevolgen voor de echte, niet-speculatieve, niet-virtuele economie, die met een intrinsieke waarde zoals dat heet, blijven niet uit en dus gaan de kranten, bladen en andere media, die het moeten hebben van abonnementen, advertenties of hits, daar zeker ook veel van merken.

 

Wel mogen we ons gelukkig prijzen dat er de eerstkomende tijd geen private equity-maffiosi of hedgefonds-aasgieren meer op de loer liggen. De Tegraaf zal nooit meer een manke optie-deal maken met een Duitse satellietzender. Geld voor nieuwe overnames en schaalvergroting in de uitgeverswereld is er niet meer. Ik slaak een zucht van verlichting, want daar heb ik de pluriformiteit van de pers nooit groter door zien worden.

 

Maar vooral mogen we toch zeggen dat er voorlopig  een overvloed aan nieuws is. De stortvloed is zelfs zo groot dat de behoefte aan betrouwbare informatie, aan bakens in de storm zal stijgen. YouTube en GeenStijl zijn die bakens niet. De sterke nieuwsmerken van oudsher, de brands om in marketingtermen te praten, zijn dat wel. Maar die zijn terecht gekomen is een vertrouwensbreuk met hun consumenten, hebben verloren aan geloofwaardigheid. Dat is naar mijn bescheiden mening de echte crisis in de journalistiek.

 

De media hebben dat deels aan zichzelf te wijten, deels is hen dat gewoon overkomen.

 

In het Fotomuseum in Las Palmas was kort geleden de Amerikaanse mediaprofessor David Perlmutter op bezoek. Zijn verhaal in een notendop: Iedereen maakt tegenwoordig foto’s met zijn mobieltje. Iedereen kan foto’s bewerken, we halen rode oogjes weg op onze vakantiekiekjes. Iedereen zet de bewerkte foto’s op internet. Omdat die foto’s digitaal zijn, (er is geen negatief meer), kan niemand nog zien of achterhalen of die foto’s nep of echt zijn. Het gevolg is dat bijna niemand nog in de echtheid van foto’s gelooft, ook al staan die in gerespecteerde media.

 

Bloggers versterken dit proces. Zij zoeken naar valse foto’s in kranten of bladen die er doorheen zijn geglipt. Genadeloos nagelen ze alles wat ze vinden aan de publieke schandpaal van het wereldwijde web, ook de onvoldoende gecheckte feiten in nieuwsberichten. Ze zijn met zovelen dat er geen kruid tegen gewassen lijkt.

 

Tot zover het onomkeerbaar lijkende proces. Nu wat de media zelf fout doen. Te lang hebben ze de hakken in het zand gezet. Te lang hebben ze gedacht publish en be damned; rectificeren hoeft niet, de uitspraken van de Raad voor de Journalistiek in het vakblad De Journalist leest toch niemand. Te lang hebben ze gedraald met het aanstellen van ombudsmannen. In Amerika zien we al dat de ombudsmannen er het eerste uitvliegen nu het minder gaat. Te lang ook hebben ze zich laten opjagen door de hete adem in hun nek van de bloggers, zijn ze daardoor mee gaan hijgen in een temposlag, hebben ze geprobeerd om op lemen voeten een oorlog te winnen van zwermen sprinkhanen. Terwijl ze van meet af aan hadden moeten terugvallen op hun core business. Dat is geloofwaardigheid, betrouwbaarheid versus snelheid. Dat is duiding, uitleg, analyse versus feiten, feitjes en scheten. Dat is KWALITEIT  versus DOEMAAR of DOE-MIJ-MAAR-HET-SNELSTE.

 

Met slow cooking win je het nooit van fast food, maar iedereen die van kokkerellen houdt of wel eens bij een sterrenkok heeft gegeten, zal toegeven dat dat meer indruk maakte (en minder maagzuur veroorzaakte).

 

Ik pleit voor minder haast in de journalistiek, voor pure kwaliteit.

 

Zolang er behoefte blijft bestaan aan jonge behangkrabbers en grasvreters, die kunnen uitgroeien tot leveranciers van pure, journalistieke kwaliteit, maak ik me geen zorgen over het voortbestaan van goede opleidingen journalistiek.

 

Volgens mij geven we vandaag een príjs voor journalistieke kwaliteit. Ik dank u.

 

(Oud-journalist Hans Maas is docent/coordinator van de Postacademische Dagblad Opleiding Journalistiek (PDOJ) aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Deze inleiding werd uitgesproken bij de uitreiking van de 3e RD Persprijs op 29 oktober 2008 in de Kunsthal in Rotterdam).

 

——–

 ————–lezing 2007———-lezing 2007————-lezing 2007———–lezing 2007—

 

 

Is één krant genoeg voor Rotterdam?
door Paul van de Laar

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was Rotterdam een echte krantenstad. Dagelijks werden er zo’n 250.000 Rotterdamse bladen in de stad verspreid, en ongetwijfeld door een veelvoud van hen gelezen. Zo’n beetje elke zuil had wel een eigen spreekbuis. De deftige NRC stond boven aan de krantenladder, de krant van de burgerlijke liberale elite die toen nog een echt Rotterdams karakter had. De katholieken lazen De Maasbode, althans de beter opgeleiden, die niet terugdeinsden om de vastenbrieven en encyclieken tot zich te nemen. Voor de minder geletterde gewone katholiek bracht dezelfde uitgevrij sinds 1908 een eenvoudiger en goedkopere versie uit, Het Nieuwe Dagblad. De Rotterdamse protestanten lazen graag De Rotterdammer, die als gezinsblad in de stad veel meer lezers aansprak dan de stijvere De Standaard. De Staatkundig-gereformeerden abonneerden zich op De Banier. De socialisten hadden met Voorwaarts een zeer aantrekkelijke krant, die zich in opmaak, lezenswaardigheid en daarmee succes onderscheidde van het intellectuelere Het Volk. In de ogen van de Amsterdamse SDAP-bonzen waren de Rotterdamse socialisten toch vooral van het pragmatischer slag en lieten dezen zich minder leiden door een socialistische ideologie dan door de strijd om het dagelijkse brood van de achterban. Deze krant was er voor het socialistische gezin. Deze keuze had ook te maken met de concurrentie van Het Rotterdamsch Nieuwsblad en het Dagblad van Rotterdam, twee populaire, zogenoemde neutrale bladen. Dat laatste was een interessante krant en tot eind jaren twintig een geduchte concurrent van het Rotterdamsch Nieuwsblad. Kortom, in de stad werden acht kranten geproduceerd en uitgegeven.

 

Na de oorlog veranderde het Rotterdamse medialandschap. Het Dagblad van Rotterdam kreeg een opvolger in het Algemeen Dagblad, een landelijk ochtendblad, een tegenhanger van De Telegraaf. Voorwaarts kwam niet onder de eigen naam terug. Het Vrije Volk werd het partijblad van de PvdA en was enige tijd de grootste krant van Nederland. Je had ook nog het Rotterdamsche Parool, een editie van de verzetskrant en verder de bladen die ook voor de oorlog verschenen. Kortom in het leeshongerige Nederland van na 1945 was er voldoende te lezen, ook aan de Maas.

De jaren zestig is een belangrijk keerpunt. De persconcentratiegolf kreeg krantenminnend Nederland in zijn greep en velen stelden de op winst gerichte krantenuitgeverij ter discussie. Wat zou er van het krantenland overblijven als het kapitalisme voortwoekerde? Bezorgde journalisten vroegen om ingrijpen van de overheid. Er moesten krantenfabrieken komen die met overheidsgeld gefinancierd werden. Deze loondrukkerijen drukten alleen maar zelfstandige bladen die met een stevig redactiestatuut de vijand buiten de deur konden houden. De  grote krantenfabrieken zijn er wel gekomen, maar die worden ook door ondernemers gerund. Nog steeds geeft het kapitaal en het rendement op de investeringen de doorslag. Je zou kunnen volhouden dat het fusieproces dat in de jaren zestig startte eigenlijk altijd is doorgegaan. In Rotterdam zijn bijna alle concurrenten in één concern terechtgekomen of gewoon verdwenen.

 

Persconcentratie en persfusies hoeven niet perse ten koste te gaan van de kwaliteit van een krant. En ook is er veel voor te zeggen dat dankzij de ontzuiling de Nederlandse samenleving volwassen werd en men geen behoefte meer had aan clubblaadjes die alleen mochten drukken wat de leiders toestonden. Zelfcensuur was toen zo ingebakken dat de hoofdredacteur het artikel al had geschrapt alvorens de baas van de zuil het kon lezen. Dat fusiekranten succesvol kunnen zijn blijkt uit de geschiedenis van NRC Handelsblad.

De NRC was in de jaren zestig absoluut geen moderne krant. En ook het Algemeen Handelsblad moest vernieuwen. Eind jaren zestig – de bedrijven waren toen al in een concern ondergebracht - waren Henk Hofland en André Spoor al bezig met de facelift van het Handelsblad. Maar om echt een nieuwe krant te maken, was het verstandig om de redacties ook samen te voegen. Zij wilden de Nieuwe Krant maken, een geuzennaam voor een blad dat voorgoed wilde afrekenen met een zuilen- en regentencultuur. De hoofdredacteuren van de NRC Jerôme Heldring en A. Stempels waren daar niet blij mee. Stempels moest daar niet aan denken en zag er de noodzaak niet van. Hij beschouwde de krant als een verlengstuk van een intellectuele, maar wel vrijzinnige elite die vooral geïnteresseerd was in economisch, staatkundige en politieke aspecten van het nieuws en achtergronden. Saai, degelijk en betrouwbaar. Maar dat er wat moest gebeuren was voor Spoor duidelijk.

Spoor vertelde mij eens een mooie anekdote. Hij wenste met hoofdredacteur Stempels van de NRC een probleem te bespreken. Hij riep André bij zich en vroeg hem: André, hoe zou Tacitus het hebben aangepakt. Met andere woorden lees Germanicus er nog eens op na. Dat moet bij Spoor de doorslag hebben gegeven en uiteindelijk kwam de fusiekrant er toch. Vijf jaar zou de krant de kans krijgen om een succes te worden. Het keerpunt kwam inderdaad in 1975. NRC Handelsblad werd een succes. Nederland kreeg er een sterke krant bij. Maar het werd geen Rotterdamse maar een Amsterdamse krant. Dat weet iedereen natuurlijk. Henk Hofland heeft mij ooit eens gezegd dat NRC Handelsblad eigenlijk de krant is geworden die hij met Spoor in 1969 met het Handelsblad wilde maken, maar waar toen geen geld voor was. 

De fusiegolf heeft, daar zijn de deskundigen het wel over eens, niet geleid tot een afname van de pluriformiteit. Daarom vinden sommigen ook dat het begrip geen betekenis heeft en we het daar niet meer over moeten hebben. Een van hen is Ben Knapen, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad die ook een tijdlang bestuurder van de PCM is geweest en nu weer voor de krant werkzaam is als correspondent. Hij heeft nog niet zo lang geleden geschreven gezegd dat pluriformiteit een achterhaald iets is. ‘Dat riekt teveel naar de verzuiling waarbij elke zuil een eigen stem had.’ Ben Knapen noemde het daarom beter om het te hebben over kwaliteit. En als er minder titels zijn maar de kwaliteit van het product neemt toe hoeft dat geen nadeel te zijn. Daarin heeft hij gelijk. Maar is een landelijke krant wel de maatstaf om de kwaliteit van de Nederlandse pers te beoordelen? Moeten we ons niet veel meer zorgen maken over wat er op regionaal of lokaal niveau gebeurt?

 

En dan kijk ik toch in de eerste plaats naar wat er in Rotterdam is gebeurd. Eigenlijk komt Rotterdam als tweede stad in het Hollandse perslandschap er bekaaid van af. Het zijn vooral de regionale markten die het hebben moeten bezuren. Dat lees ik in het verslag van het Commissariaat van de media over 2003. “De functie die kranten, regionale dagbladen en nieuwsbladen, voor de lokale nieuwsvoorziening van oudsher hadden loopt terug door vermindering van titels en schaalvergroting. Toen dit werd geschreven had Rotterdam nog een Rotterdamse krant, althans een blad dat er puur voor de regio was. Sinds het RD is geïntegreerd in het AD hebben we afgezien van de huis-aan-huisbladen en de Metro eigenlijk maar een Rotterdamse krant. En is dat gewoon te weinig! Dat is voor mij geen vraag, maar een stelling.

Want met alle respect voor de vernieuwingen van de krant en de euforie over de winstgevendheid kan het AD/RD Rotterdam als enige serieuze krant niet bedienen. De krant biedt waar voor zijn geld wie vooral veel van sport houdt. Ik vind dat zelf veel te veel. Ik leg de sportbijlage meestal ongelezen terzijde. Maar ook dat is niet erg want als een krant veel andere dingen te bieden heeft, dan kun je best zonder. Maar brengt het AD/RD voldoende voor wie de Rotterdamse samenleving kritisch wil volgen? Nee, helaas niet.

Als ik de krant lees, spurt ik meteen naar Rotterdam Dichtbij, want voor het algemene nieuws heb ik al een krant. Rotterdam Dichtbij moet het vooral van de faits divers hebben. Maar ook van steekpartijen, weggelopen huisdieren, emotionele wijkbewoners die elkaar het leven zuur maken, daar kom je alles van te weten. Iemand van de krant heeft mij ooit eens gezegd dat de mensen dat graag lezen. Ja, dat geloof ik ook wel. Maar het zou ook goed zijn als iemand eens zou schrijven dat het knap stom is om midden in de nacht je halve maandloon te gaan pinnen op de Nieuwe Binnenweg. Waar vind ik de kritische beschouwingen over de Rotterdamse politiek? Waar is het 46ste raadslid, om maar eens uit de oude doos te putten, zoals Henri Dekking die op satirische wijze de politici langs de meetlat legde in het Rotterdamsch Nieuwsblad. Zijn commentaren voorzien van spotprenten zijn nog steeds leuk om te lezen voor wie de stadsgeschiedenis goed kent. Waar blijven de snerpende commentaren op een stad die steeds meer met woorden durft maar steeds meer moeite heeft met daden. Als we het hebben over de Lijnbaan als monument en dat Rotterdamse bestuurders daar moeite mee hebben omdat het de vooruitgang tegenhoudt, dan wil ik wel een kritische analyse daarover lezen. Niet omdat ik tegen verandering ben, nee maar omdat ik wil weten welke afwegingen worden gemaakt en of de plannen wel met een visie te maken hebben. Niet alleen de plannen dus, maar ook beschouwingen. Rotterdam is toch geen stad die gerund wordt door middenstanders die elke vierkante meter in deze stad met winkels willen vullen. Waar zijn de kritische analyses over Rotterdam hoogbouw: weer een toren aan de Maas en hoe gaan we die vullen? Hoe zit het met de ontwikkeling van de stadseconomie? Waar blijven de banen? Kortom, een kritische kwaliteitskrant die politici, bestuurders op de huid zit en de creatieve geesten in de stad voedt. Niet om te zeiken, of te zeuren, maar omdat een stad dat nodig heeft. Ik geloof dat er een relatie is tussen de kwaliteit van de pers en dat van de lokale bestuurders. Als je als bestuurder weet dat je kritisch gevolgd wordt dan doe je beter je best. Bestuurders zijn dol op monitoren en nemen in toenemende mate excelfetisjisten in dienst om toezicht uit te oefenen. Dan wordt het ook tijd dat we lokale politici goed volgen. En dan heb ik niet over affaires, want die maken politiek wel hectisch maar daarmee wordt een stad niet beter bestuurd.

 

Ik kijk om me heen en ik weet wat u denkt. Joh, houd toch op dat kan in Rotterdam niet? Waar is het publiek? Ja, dat is er wel, misschien niet voor een krant die honderdduizend abonnees wil hebben. Want dan zoek je de concurrentie niet in de kwaliteit maar in de kwantiteit en dan verlies je het van de grote getallen en de bladen met de grote oplagen. Nee, daar moeten we het niet van hebben. Maar waarom kan het wel in het buitenland? Elke grote stad probeert daar voor de eigen lezers een echte stadskrant te maken.

Er moet een kwaliteitskrant voor Rotterdam komen. Ik geloof in de nieuwe media, en ben zelf een groot gebruiker van internet. Maar papier blijft bestaan. Ik wil geen dubbeldikke krant met veel te veel bijlagen, maar een kleine krant die je onder de arm meeneemt, die je anderen doorgeeft niet om de vis in te verpakken maar omdat je zegt: dit moet je eens lezen. De kwaliteit is de inhoud en die moet zich als een epidemie in de stad verspreiden; vooral een kritisch medium dat het debat inhoudelijk aanzwengelt en een agenda settende werking heeft. Daar is de journalistiek voor uitgevonden. Ik zou bijna zeggen een Groene Rotterdammer maar dan een voor door de week. Deze krant komt niet in de plaats van het AD/RD want dan zou je veel lezers hun plezier ontnemen. Deze komt er gewoon naast, want een krant is gewoon te weinig. Het blad heeft een ander publiek hoeft geen sportredactie te hebben en investeert in journalistiek niveau op stadsniveau. Geen sport maar wel aandacht voor cultuur, politiek, visie op de stad. En de Rotterdamse economie: niet alleen aandacht voor de haven, want we hebben daarnaast behoefte aan stukken die bestuurders vragen: als je naar de zee kijkt en je draait je om wat voor stad zie je dan?

De RD Persprijs 2007 die vandaag wordt uitgereikt is voor de beste stukken over Rotterdam. Die worden, gelukkig overal geschreven, want er zijn genoeg goede journalisten, maar ze komen niet uitsluitend uit Rotterdam. Ik ben heus geen chauvinist, maar ik zou er wel voor voelen als de prijswinnaar straks te vinden is in de redactie van de Rotterdamse kwaliteitskrant. En hoe noemen we de krant: gewoon de Nieuwe Rotterdamse Krant.

 

(dit is de tekst van de lezing die prof dr P.T. van de Laar uitsprak op 31 oktober 2007 in de Kunsthal Rotterdam t.g.v. de uitreiking van de RD Persprijs 2007.

Paul van de Laar is hoofd collecties van het Historisch Museum Rotterdam en hoogleraar stadsgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam)