2020

Juryrapport Persprijs Rotterdam 2020

De editie 2020 van de Persprijs Rotterdam, de 15e op rij, is meteen ook de laatste. Maar dat einde is tegelijkertijd een begin. Want met de laatste prijsuitreiking is het ook de eerste keer dat de Mark Hoogstad-beurs wordt uitgereikt, een beurs waarmee elk jaar een journalist in de gelegenheid wordt gesteld diepgaand onderzoek te doen naar een Rotterdams onderwerp.

En er is nóg een duidelijke band, want niet voor niets is de beurs genoemd naar de winnaar van de Persprijs van 2018, Mark Hoogstad.

Maar niettemin, het verdwijnen van de Persprijs Rotterdam stemt licht nostalgisch, en het is aardig om het allereerste juryrapport, uit 2006, er nog eens op na te slaan om te kijken wat er de afgelopen 15 jaar is gebeurd op media-gebied in Rotterdam.

We kunnen dan om te beginnen vaststellen dat het animo om mee te doen aan de Persprijs zeer is toegenomen. De eerste jaren schommelde het aantal inzendingen rond de 10, maar de latere edities leverden altijd meer dan 20 bijdragen op. Zo ook dit jaar: er waren 22 gegadigden voor deze Persprijs.

Wat enorm veranderd is, is het type media dat meedeed. De eerste jaren ging het vrijwel exclusief om geschreven media: kranten, tijdschriften, boeken, met daarnaast een enkele bijdrage van de audiovisuele media. Er werd bij het eerste juryrapport zelfs een nadrukkelijke oproep aan internetjournalisten gedaan om óók mee te dingen.Nu zou zo’n oproep overbodig zijn. Bijna de helft van de inzendingen van dit jaar werd geleverd door de digitale media. En de geschreven media die meededen stuurden hun bijdrage in de meeste gevallen ook niet op papier, maar als link in, of als PDF.

Waar nog niet zo lang geleden zware dozen vol papier bij de leden van de jury werden afgeleverd, volstond nu een plat doosje dat met gemak door de brievenbus van de juryleden kon worden geduwd. En zo zien wij dus de opkomst van de papierloze samenleving treffend geïllustreerd door de geschiedenis van de Persprijs Rotterdam.

Inhoudelijk naar de inzendingen van dit jaar kijkend, viel de jury een aantal zaken op. Allereerst bestonden veel inzendingen, bij de traditionele media maar al helemaal bij de digitale media, uit een reeks afleveringen rond één hoofdthema. Het viel daarbij niet altijd mee om bij zo’n serie die bijvoorbeeld 3 uur aan totale kijktijd in beslag nam, de pareltjes eruit te vissen. Een wat strengere selectie door sommige inzenders zou wellicht kansenverhogend hebben gewerkt.

Opvallend was verder dat een aantal inzendingen over heftige en ingrijpende onderwerpen ging, letterlijk over leven en dood. Dit is een trend die wij de afgelopen jaren hebben zien toenemen, aanvankelijk vooral bij reality-programma’s op de tv, maar nu ook meer en meer bij andere media, zoals de geschreven pers.

Algemener geformuleerd kun je zeggen dat de human interest-insteek bij veel journalistieke producties zeer nadrukkelijk aanwezig was. Op zichzelf gaat het daarbij vaak om interessante verhalen, maar de jury miste nogal eens de duiding die de geschetste belevenissen van individuele mensen in een maatschappelijk relevant perspectief zet.

Omgekeerd was bij veel andere inzendingen, met name die van de digitale media, sprake van zeer gedegen vormen van onderzoeksjournalistiek. We kwamen producties van journalisten tegen die hun onderwerp werkelijk van alle kanten hadden benaderd, tal van deskundigen hadden gesproken, diepgaand in relevante stukken waren gedoken, en tot heldere conclusies waren gekomen.

Dat die trend nu al een aantal jaren goed zichtbaar is, vindt de jury verheugend. Het is mede een taak van de journalistiek om maatschappelijke ontwikkelingen in al hun facetten te benoemen en kritisch te benaderen. Maar de verhalen waarmee dat gebeurt lijden nog wel eens onder juist hun overkill aan details, en onder een weinig uitnodigende presentatie.

Een sterke inhoud bij een aansprekende vorm, dat is uiteindelijk waar het in de ogen van de jury bij mediaproducties om draait. Op die manier werden dan ook de verschillende inzendingen beoordeeld. Meer in detail werd gekeken naar de algemene journalistieke kwaliteit, originaliteit en creativiteit, naar toegankelijkheid, zorgvuldigheid, nieuwswaarde en Rotterdamse impact. Deze uitgangspunten hanterend bleven er vijf producties over waaruit de uiteindelijke winnaar werd gekozen. Die vijf genomineerden zijn, in alfabetische volgorde:

- Bart Dirks van De Volkskrant met zijn reportage ‘Ik wil meer zuurstof in de wijk blazen’.

Met foto’s van Guus Dubbelman. Nergens in Rotterdam zijn de inwoners zo negatief over hun wijk als de mensen in Carnisse, een wijk op Zuid. In een gedegen en mooi geschreven reportage laat Bart Dirks zien wat de problemen zijn, en wat burgemeester Aboutaleb, die een jaar lang elke vrijdag de wijk bezoekt om met de bewoners te praten, eraan doet om het tij te keren. Bart Dirks zal denkelijk bij veel van die komende bezoeken zijn, want zijn verhaal is bedoeld als het eerste in een reeks, die eveneens een jaar zal doorlopen.

- Steven van der Gaag, Thomas Vroege en anderen met ‘WE HEBBEN ‘M!!, een documentaire die terugblikt op de Europacup die Feyenoord 50 jaar geleden won, en die is vertoond op het Internationaal Filmfestival Rotterdam en uitgezonden door NOS/NTR bij Andere Tijden Sport. Wat deed het de gemiddelde Rotterdammer dat Feyenoord, als eerste Nederlandse club ooit, de ‘Cup met de grote oren” won? Nou, heel veel! Deze documentaire laat het zien, met interviews, menigmaal unieke beelden uit 1970, en tal van polaroid-kiekjes van de gelukkigen die op de Coolsingel met de Cup werden vereeuwigd.

- Eppo König van NRC Handelsblad met ‘Van het gas af’, een vierdelige reportageserie over de invoering van groene energie in de arme maar ook hippe en levendige Rotterdamse wijk Bospolder-Tussendijken. Met foto’s van Walter Herfst. Het onderwerp moge abstract en buitengewoon complex van aard zijn, maar König slaagt erin helder uit te leggen wat de praktische problemen zijn die de geplande energietransitie met zich mee brengt, voor de gemeente, de bewoners, en partijen als Eneco en Havensteder

- Bram Logger, Parcival Weijnen, Victor Postuma, Celeste Boddaert en Bas Booister met hun onderzoeksdossier ‘De Hoekse Lijn, de metro die miljoenen kostte’. Het gaat hier om een vierdelige serie die is verschenen op de website van Vers Beton en de lokale omroepen Open Rotterdam, WOS en Schie. De jury was onder de indruk van het spitwerk dat voor deze serie werd verricht. Je komt echt heel veel te weten over de moeizame voorgeschiedenis van de metrolijn die Rotterdam sinds kort met Hoek van Holland verbindt. Speciale vermelding verdient de goede animatie die bij deze produktie hoort.

- Rauwkost Collective met de zesdelige korte documentaireserie Roffa Represents 2, ingezonden door OPEN Rotterdam. De documentaires gaan over hiphop artiesten in Rotterdam, die weliswaar hetzelfde type muziek maken, maar onderling heel erg verschillend zijn. Een eerste reeks portretteerde acht rappers, en in deze tweede reeks gingen de makers wat meer de diepte in. De jury werd vooral getroffen door de aflevering over de 43-jarige Mike Metalz, die in 1995 als hiphopartiest begon, daarmee buitengewoon succesvol was, maar uiteindelijk koos voor een rustiger bestaan, zodat hij genoeg tijd aan zijn gezin kan wijden. Knap en zeer menselijk verhaal, oordeelde de jury.

Uit deze inzendingen, die onderling zeer verschillend zijn maar allemaal op een boeiende manier aspecten aan ons aller Rotterdam laten zien, heeft de jury de winnaar gekozen. We weten dat die winnaar het komende jaar verder gaat met het onderwerp dat hij heeft gekozen. Dat geeft ons, naast de start van de Mark Hoogstadprijs, alle vertrouwen dat, ook nu de Persprijs Rotterdam voor het laatst wordt uitgereikt, goede journalistiek gewoon door zal gaan.

Dames en heren, de winnaar van de Persprijs Rotterdam 2020 is Bart Dirks van de Volkskrant met zijn reportage ‘Ik wil meer zuurstof in de wijk blazen”.

Rotterdam, oktober 2020

Inez Weski (voorzitter jury), Henk Dam, Maria Heiden, Kees Weeda, Cees van der Wel – jury Persprijs Rotterdam 2020